Score
0%
1: Ik (zijn) gisteren op school.
2: Hans (lunchen) vorige week in een leuk restaurant.
3: Afgelopen week (melden) ik me bij de kazerne.
4: In de kerk (geloven) mijn zusje altijd wel in God.
5: Ibrahim (praten) in de klas met zijn buurman.
6: Hij (beven) toen hij in de klas moest voorlezen.
7: De docent (zeggen) dat de leerlingen nog wel wat zouden beleven.
8: Ze (bakken) er niets van, Saskia had namelijk niet geleerd voor de test.
9: Ik (blancheren) de aardappels gisteren even voordat ik ze in de oven deed.
10: Bart (liggen) een paar weken in het ziekenhuis toen hij zes was.