Score
0%
1: (willen) je morgen ook naar de stad gaan?
2: (hebben) jij daar zin in?
3: (zwemmen) je morgen ook in het golfslagbad?
4: Jij (houden) heel erg van zwemmen.
5: Jij (zingen) ook graag.
6: (branden) je daar niet aan.
7: Jij (verbranden) heel erg snel.
8: Jij (vervellen) vast heel erg snel.
9: (vervellen) jij ook snel?
10: (spieken) jij ooit tijdens een proefwerk?