Score
0%
1: Jij (zijn) al 3 jaar getrouwd.
2: (vieren) jij je verjaardag morgen?
3: (maken) jij je broeken zelf korter?
4: Morgen (kopen) jij een nieuwe broek in de stad.
5: Waarom (doen) jij dat?
6: (drinken) je een kopje thee met mij?
7: Jij (zien) er leuk uit!
8: Wat (bedenken) jij toch leuke dingen!
9: (leren) je altijd goed voor de testen?
10: Jij (houden) erg van pindakaas.