Score
0%
1: Hij (laden) de vrachtwagen.
2: Hij (vermijden) altijd die moeilijke situaties.
3: Hoe laat (worden) hij meestal wakker?
4: Hij (ontwaken) meestal om 7 uur ’s ochtends.
5: (schieten) hij altijd op vogels?
6: Ja, helaas (genieten) hij daarvan.
7: Hij (zorgen) wel heel goed voor zijn kat.
8: Hij (leiden) de grootste afdeling van het bedrijf.
9: Hij (lijden) wel erg onder veel stress.
10: (ondervinden) hij hinder van de crisis?