Score
0%
1: Een oude mevrouw (vallen, vt) vanmorgen van haar fiets.
2: Een jong meisje (helpen, vt) haar bij het opstaan.
3: Het aardige meisje (heten, vt) Sarah.
4: Sarah (willen, tt) later kapster worden.
5: Dat (lijken, tt) haar een geweldig beroep.
6: De oude mevrouw (bedanken, vt) Sarah uitgebreid.
7: Ze (vragen, vt) haar binnen voor een kopje thee.
8: De oude mevrouw (wonen, tt) al jaren in hetzelfde huisje.
9: Ze (hopen, tt) dat ze nooit naar een bejaardentehuis zal moeten.
10: Sarah en de mevrouw (kletsen, vt) de rest van de middag.