Score
0%
1: Ik (rennen, tt) ’s morgens graag.
2: Ik (vinden,tt) het altijd heerlijk om te joggen.
3: Vroeger (rennen, vt) ik ook al best vaak.
4: Samen met André (trainen, vt) ik voor wedstrijden.
5: Veel mensen (trainen, tt) voor marathons.
6: Tijdens het hardlopen (zijn, tt) het lastig om te lachen.
7: Ik (lachen, vt) vroeger wel eens tijdens het lopen.
8: Uiteraard (lopen, vt) ik dan niet zo’n goede tijd.
9: Afgelopen jaar (winnen, vt) ik geen enkele hardloopwedstrijd.
10: Gelukkig (gaan, tt) het niet om het winnen!