Score
0%
1: Ze wierpen een (ba...icade) op.
2: De collectanten (ve...ichten) erg goed werk.
3: Hij is een (ve...ader)!
4: Ik wil niet dat mijn fiets buiten staat te (ve...oesten).
5: Dat is vind ik erg (inte...essant).
6: De mannequins van dat modellenbureau (a...iveren) altijd op het laatste moment.
7: De (concu...ent) heeft helaas veel meer klanten dan deze winkel.
8: Ik heb een nieuw (bu...eau) gekocht
9: De (le...aren) doen erg hun best om iedereen goed te leren spellen.
10: Ga jij alvast in de (se...e) zitten?