jufmelis.nl

Nederlands is niet moeilijk, gewoon even oefenen

woordsoorten: Voorzetsels 2

Score

0%


Klik op de woorden om ze te selecteren. Ze worden dan geel. Als na controle de hele zin goed is, worden ze groen.

1: In de kast staat de snoeppot.

2: Op het aanrecht ligt een theezakje.

3: De krant ligt naast de bank.

4: Onder de auto ligt een snoeppapiertje.

5: Tijdens het schoolfeest viel ik in slaap.

6: Ik zit met mijn hoofd tussen de deur.

7: Ik loop met mijn hond.

8: Ik ga morgen naar mijn oma.

9: Hij woont aan de haven.

10: De inbreker stond achter de deur.





Uitleg over: Voorzetsel (prepositie)
vorige oefening:
Voorzetsels 1
volgende oefening:
Voorzetsels 3

Oefeningen:

Lidwoorden

Zelfstandig naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

Voorzetsels

Werkwoorden

Zelfstandige Werkwoorden

Hulpwerkwoorden

Koppelwerkwoorden

Persoonlijk voornaamwoord

Bezittelijk voornaamwoord

Wederkerend voornaamwoord

Wederkerig voornaamwoord

Vragend voornaamwoord

Aanwijzend Voornaamwoord

Betrekkelijk Voornaamwoord

Onbepaald Voornaamwoord

Bijwoord

Uitleg:

Copyright © jufmelis.nl 2008-2017. Alle rechten voorbehouden.