Score
0%
1: Zij heeft het op de tong.
2: Dat is een in 't bakkie!
3: Jij mag je wel spoelen!
4: Wie zal de bij de hoorns vatten?
5: Hij ziet er als een tegenop.
6: Zij springt een in de lucht.
7: Als het verdronken is, dempt men de put.
8: Zij strijkt met haar over haar hart.
9: Het achter de wagen spannen.
10: Krakende lopen het langst.