jufmelis.nl

Nederlands is niet moeilijk, gewoon even oefenen

De werkwoordstijden (vier)

In de Nederlandse taal zijn er acht verschillende tijden. Ik heb (tot nu toe) alleen de eerste vier tijden in de oefeningen verwerkt. Voor voorbeelden van alle acht werkwoordstijden klik je hier.


Er zijn twee stappen om er achter te komen in welke tijd een zin staat. Eerst kijk je in welke tijd de persoonsvorm staat (tegenwoordige tijd of verleden tijd) en dan kijk je of de zin voltooid is (dan heeft de zin een voltooid deelwoord in combinatie met een vorm van hebben of zijn).


Dus:
  • Stap 1: Kijk naar de tijd waarin de persoonsvorm staat:
    • t.t.: tegenwoordige tijd
    • v.t.: verleden tijd
  • Stap 2: Kijk of de zin in de voltooide tijd staat
    • v: voltooide tijd: in de zin staat een vorm van hebben of zijn en een voltooid deelwoord
    • o: onvoltooide tijd: de zin heeft geen vorm van hebben of zijn of/en de zin bevat geen voltooid deelwoord

Voorbeelden

  • o.t.t.: onvoltooid tegenwoordige tijd
    • Ik eet een appel.
    • Ik ga naar de stad.
  • o.v.t.: onvoltooid verleden tijd
    • Ik at een appel.
    • Ik ging naar de stad.
  • v.t.t.: voltooid tegenwoordige tijd
    • Ik heb een appel gegeten.
    • Ik ben naar de stad gegaan.
  • v.v.t.: voltooid verleden tijd
    • Ik had een appel gegeten.
    • Ik was naar de stad gegaan.


Het alfabet

Interpunctie

Afbreken

Lidwoorden invullen

Aanwijzend voornaamwoord invullen

Wederkerende voornaamwoorden invullen

Werkwoordstijden

NT2

Uitleg:

Copyright © jufmelis.nl 2008-2017. Alle rechten voorbehouden.